1. Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op over het voorgaande jaar. Hij zendt uiterlijk 15 april 1 mei deze jaarrekening met de daarbij behorende stukken aan de gemeenten en naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het accountantsrapport uit te brengen. 2. De jaarrekening bevat de door elke gemeente werkelijk verschuldigde bijdrage. Het bepaalde in artikel 25, lid 3 is van overeenkomstige toepassing. 3. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op of voor 1 juli. 4. Het dagelijks bestuur stelt de gemeenten in kennis van de vaststelling van de jaarrekening. 5. De vaststelling van de jaarrekening ontlast de leden van het dagelijks bestuur en de controller van het daarin verantwoorde financieel beheer, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.
Artikel 25 Bijdragen gemeenten en derden 1. De gemeenten betalen de helft van de in de begroting geraamde inwonersbijdrage vóór respectievelijk 16 februari en 16 juli, behalve wanneer het algemeen bestuur anders besluit. Bij te late betaling is de wettelijke rente verschuldigd. 2. De betaling van de activiteiten genoemd onder artikel 4 lid 7 vindt plaats na declaratie. 3. Een mogelijk nadelig saldo zoals dat in de jaarrekening is vastgesteld, wordt verrekend met hiertoe te vormen reserves als bedoeld in artikel 26.
Artikel 26 Reservevorming Het algemeen bestuur kan reserves en voorzieningen vormen overeenkomstig door de door hem vast te stellen Nota reserves en voorzieningen. HOOFDSTUK 9 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING
Artikel 27 Toetreding 1. Voor de toetreding van een gemeente volstaat het besluit van het college van die gemeente. Die toetreding behoeft de instemming van het algemeen bestuur. 2. Aan de toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden. 3. Het algemeen bestuur geeft van elk bericht van toetreding kennis aan de gemeenten en aan gedeputeerde staten.
Artikel 28 Uittreding 1. Elke gemeente kan bij besluit van het college de deelname aan deze regeling opzeggen met ingang van twee kalenderjaren na het jaar waarin dit besluit is genomen. De gemeente brengt zo'n besluit terstond ter kennis van het dagelijks bestuur. 2. Het algemeen bestuur regelt de financiële verplichtingen en de overige gevolgen van de uittreding. 3. Als het algemeen bestuur bij meerderheid van tenminste twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen daartoe besluit, kan hij een kortere termijn toestaan dan de in lid 1 genoemde termijn. 4. Het algemeen bestuur brengt elk besluit tot uittreding terstond ter kennis van de gemeenten en gedeputeerde staten.
Artikel 29 Wijziging en opheffing
1. De gemeenten gaan deze regeling aan voor onbepaalde tijd.
2. Wijziging of opheffing van de regeling vindt plaats bij eensluidende besluiten van de colleges van tenminste twee derde van de gemeenten, die samen twee derde van het aantal inwoners van het werkgebied omvatten. Een voorstel daartoe kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door de colleges van tenminste vijf gemeenten.
3. Als een voorstel als bedoeld in het vorige lid uitgaat van colleges, dienen zij dit in bij het algemeen bestuur. Het Algemeen bestuur legt het voorstel ter beslissing voor aan de colleges.
4. Bij opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur een regeling vast voor de gevolgen van de opheffing. Deze regeling voorziet in de verplichting van de gemeenten om alle rechten en verplichtingen van de GGD te verdelen op een in de regeling te bepalen wijze.
5. De bestuursorganen blijven functioneren tot de liquidatie voltooid is.
HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALING
Artikel 30
1. Deze regeling heet 'Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant' en heeft een toelichting.
2. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2015.
3. De gemeenten zorgen voor de bekendmaking van deze regeling.
4. Het gemeentebestuur van Tilburg is het gemeentebestuur als bedoeld in artikel 26 van de wet.
5. In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur.
Vastgesteld door het college van de gemeente
in zijn vergadering van
de secretaris, de voorzitter,
Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant - toelichting
Deze regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de bepalingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of de Gemeentewet. Hieronder volgt, waar nodig, een toelichting op de artikelen. Overal waar 'hij' of 'zijn' staat, zou ook 'zij' of 'haar' kunnen staan.
Aanhef
De Wet publieke gezondheid (artikel 14) verplicht gemeenten om een gezondheidsdienst in te stellen en in stand te houden voor de uitvoering van taken genoemd in die wet. Om deze verantwoordelijkheid optimaal te behartigen, hebben de genoemde gemeenten een gemeenschappelijke regeling ingesteld.
In de aanhef staan enkele uitgangspunten voor het bestuursmodel dat is vastgelegd in de regeling.
Het bestuursmodel van de GGD hangt nauw samen met de relatie tussen gemeenten en GGD en de werkwijze van de GGD. Centraal hierin staat dat de gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun gezondheidsbeleid. De functies van de GGD - preventie en acute zorg - zijn bij uitstek overheids-taken, uit te voeren door de gemeentelijke gezondheidsdienst.
De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan. De GGD moet dan ook genoeg keuzevrijheid bieden en voldoende flexibel zijn om aan te sluiten op de lokale wensen. Maar hij moet ook bedrijfsmatig optimaal kunnen opereren om daarmee de risico's voor de gemeenten te minimaliseren.
De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn dan ook:
gemeenten hebben een regierol. Daarnaast moeten zij de GGD zo nodig direct kunnen inzetten.
er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD zowel individueel als gezamenlijk aan te sturen;
de GGD functioneert binnen de (gemeentelijke) kaders als een zelfstandige, professionele organisatie;
gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert.
Van belang is dat de GGD een slagvaardige bedrijfsvoering kan voeren, die leidt tot het behalen van de door de gemeenten geformuleerde doelen. Daarbij kunnen de gemeenten inhoudelijke kaders stellen en op afstand toezicht houden op het beheer van de GGD.
Het algemeen bestuur richt zich vooral op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het dagelijks bestuur richt zich vooral op de toezicht op de directie.
Artikelsgewijze toelichting
HOOFDSTUK 8
Artikel 24
De jaarrekening
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant