a. Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
In afwijking van lid 1a geldt dat voor ontwikkelingen in de binnenstad de parkeereis opgelost wordt in bestaande of nieuw te realiseren parkeervoorzieningen aan de rand van de binnenstad.
De in lid 1 genoemde juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van parkeernormen waarbij het volgende van toepassing is:
De parkeernorm is opgenomen in bijlage 15 bij deze verordening.
Voor de toepassing van de parkeernormen stelt het college van burgemeester en wethouders nadere rekenregels vast.
Er kan onder in lid 3 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die onder de minimumnorm ligt.
Er kan onder in lid 4 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die tussen de minimumnorm en de maximumnorm ligt.
Er kan onder in lid 5 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die boven de maximumnorm ligt.
Er kan in de binnenstad een ontheffing worden verleend van de parkeereis voor kleine ontwikkelingen (niet zijnde woonfuncties), van de parkeereis voor bezoekers en van de parkeereis voor gebruikers van panden. Daarbij kan een vergoeding vereist worden voor het in de parkeeroplossing betrekken van reeds bestaande parkeerplaatsen. Het college van burgemeester en wethouders stelt daarvoor nadere regels vast.
Er kan buiten de binnenstad een ontheffing worden verleend van de parkeereis voor kleine ontwikkelingen (niet zijnde woonfuncties), en van de parkeereis voor het parkeren van bezoekers in vergunninggebieden. Daarbij kan een vergoeding vereist worden voor het in de parkeeroplossing betrekken van reeds bestaande parkeerplaatsen. Het college van burgemeester en wethouders stelt daarvoor nadere regels vast.
De in lid 2 onder c genoemde voorwaarden zijn:
De parkeernormen voor woningbouw worden niet verlaagd.
De aanvrager toont via te leveren relevante onderzoeken aan, dat de parkeernorm voor die specifieke functie op de betreffende locatie verlaagd kan worden, omdat de norm te hoog is. Een verlaging van de parkeernorm kan alleen als redelijkerwijs aannemelijk wordt gemaakt dat de functie minder parkeerders genereert dan met de vastgestelde norm wordt berekend.
In concrete gevallen kan in afrondende zin een relatief beperkt aantal parkeerplaatsen komen te vervallen, zo lang dat niet leidt tot parkeeroverlast op de openbare weg; hierbij geldt dat de extra parkeerdruk op de openbare weg als gevolg van het bouwplan niet hoger mag worden dan 80% op het moment van de aanvraag.
De in lid 2 onder d genoemde voorwaarden zijn:
voor kantoren op intercity- of knooppuntlocaties en voor detailhandel op intercity- of knooppuntlocaties:
een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zoals opgenomen in de door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen nadere regels) dat door de gemeente is geaccordeerd;
voor kantoren op overige locaties:
een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zoals opgenomen in de door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen nadere regels) dat door de gemeente is geaccordeerd.
De in lid 2 onder e genoemde voorwaarden zijn:
het in lid 4 vermelde geldt onverkort;
het te verwachten extra autoverkeer als gevolg van de extra parkeerplaatsen boven de hoge norm leidt niet tot (extra) doorstromingsproblemen op de grote stadswegen. De gemeente onderzoekt dit.
De in lid 1 bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
als de afmetingen van bedoelde parkeerruimten bij langsparkeren ten minste 2,00 m bij 5,50 m bedragen, en bij haaks of gestoken parkeren de ruimten ten minste 2,50 m bij 5,00 m bedragen;
als de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 6,00 m bedragen, en bij haaks parkeren met een uitstapstrook langs het parkeervak ten minste 3,00 m breed en zonder uitstapstrook 3,50 m breed en ten minste 5,00 m lang bedragen.
Als de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
Een openbare parkeergelegenheid boven 200 openbare parkeerplaatsen wordt met statische bebording opgenomen in het gemeentelijke ParkeerrouteInformatieSysteem. De kosten daarvan zijn voor rekening van de aanvrager. De aanvrager en de gemeente komen de afspraken overeen in een parkeerovereenkomst.
Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van:
het bepaalde in lid 1a in samenhang met lid 2 onder c t/m g, een en ander volgens de voorwaarden in respectievelijk lid 3, lid 4 en lid 5;
het bepaalde in lid 1b, als het oplossen van de parkeereis op andere plaatsen dan op eigen terrein leidt tot onaanvaardbare consequenties;
het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, als het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:
een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het
gebouw;
een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf.
Het college van burgemeester en wethouders stelt nadere regels voor het bepaalde in lid 1a en lid 7 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Daarbij wordt bij gebruik van reeds bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte een vergoeding in rekening gebracht van € 3.792,- (prijspeil 2014), welk bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd op basis van de CPI-index van het CBS (alle huishoudens, over de eerst vijf maanden van het jaar, basisjaar 2006).
Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
(Vervallen)
Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel 2.7.1 t/m 2.7.7
(Vervallen)
HOOFDSTUK 3 DE MELDING
Artikel 3.1 en artikel 3.2
(Vervallen)
HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK
Artikel 4.1 t/m 4.14
(Vervallen)
HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties, aansluitingen op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen
Artikel 5.1.1 t/m 5.1.3
(Vervallen)
Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
Artikel 5.2.1 t/m artikel 5.2.5
(Vervallen)
Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel 5.3.1 t/m artikel 5.3.7
(Vervallen)
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel 5.4.1 Preventie
(Vervallen)
HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK
(Vervallen)
HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN
Paragraaf 1 Overbevolking
Artikel 7.1.1 en artikel 7.1.2
(Vervallen)
Paragraaf 2 Staken van het gebruik
Artikel 7.2.1 t/m artikel 7.2.3
(Vervallen)
Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
Artikel 7.3.1 en artikel 7.3.2
(Vervallen)
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel 7.4.1 Preventie
(Vervallen)
Paragraaf 5 Watergebruik
Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
(Vervallen)
Paragraaf 6 Installaties
Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties
(Vervallen)
HOOFDSTUK 8 SLOPEN
Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel 8.1.1 t/m artikel 8.1.7
(Vervallen)
Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel 8.2.1 t/m artikel 8.2.2
(Vervallen)
Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen
Artikel 8.3.1 t/m artikel 8.3.6
(Vervallen)
Paragraaf 4 Vrij slopen
Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen
(Vervallen)
HOOFDSTUK 9 WELSTAND
Artikel 9.1 De advisering door de stadsbouwmeester
De stadsbouwmeester adviseert over:
de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen;
gevallen waarin dat ingevolge deze verordening is vereist;
gevallen waarin dit ingevolge de Monumentenwet 1988 / de Erfgoedverordening is vereist;
reclame uitingen als bedoeld in artikel 4.4.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening;
gevallen als bedoeld in artikel 2.1.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening.
De stadsbouwmeester baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.
De stadsbouwmeester wordt – in bepaalde gevallen – bijgestaan door de commissie ruimtelijke kwaliteit of door één of enkele deskundigen uit de commissie
De stadsbouwmeester kan desgewenst uit eigen beweging aan burgemeester en wethouders adviseren over aangelegenheden die de welstand betreffen.
Artikel 9.2 Stadsbouwmeester en samenstelling van de commissie ruimtelijke kwaliteit
De commissie ruimtelijke kwaliteit bestaat ten minste uit vijf leden en de stadsbouwmeester. De volgende vakdisciplines zijn vertegenwoordigd: a. architectuur; b. stedenbouw/landschap; c. bouwhistorie/restauratiearchitect; d. cultureel erfgoed; e. burgerlid.
De stadsbouwmeester is voorzitter van de commissie ruimtelijke kwaliteit.
De commissie ruimtelijke kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn.
De stadsbouwmeester en de leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.
De stadsbouwmeester wordt bij adviezen over (bouw)plannen voor rijksmonumenten en gemeentemonumenten, bijgestaan door een erfgoeddeskundige/restauratiearchitect en het burgerlid. Adviezen kunnen slechts worden uitgebracht bij tenminste tweederde aanwezigheid. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de door de gemeenteraad en burgemeester en wethouders vastgestelde regelgeving en beleidsuitgangspunten op het betreffende werkterrein.
Artikel 9.3 Benoeming en zittingduur
(Vervallen)
Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
De stadsbouwmeester stelt jaarlijks een verslag op van zijn werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;
de werkwijze van de stadsbouwmeester en de commissie ruimtelijke kwaliteit;
op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;
de aard van de beoordeelde plannen;
de bijzondere projecten.
De stadsbouwmeester kan in zijn jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel 9.5 Termijn van advisering
De stadsbouwmeester brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
De stadsbouwmeester brengt het advies over de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de stadsbouwmeester een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van een welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen, mondelinge toelichting en nadere regels
De behandeling van (bouw)plannen door de stadsbouwmeester en de vergaderingen van de commissie ruimtelijke kwaliteit zijn openbaar. De agenda voor de vergaderingen wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.
Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de stadsbouwmeester in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.
In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de stadsbouwmeester wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de stadsbouwmeester, waarin de aanvraag wordt behandeld.
Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht.
Het college stelt nadere regels vast over de taakomschrijving, werkwijze, wijze van adviseren en dergelijke van de stadsbouwmeester en de commissie ruimtelijke kwaliteit.
Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid
(Vervallen)
Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
De stadsbouwmeester adviseert en motiveert zijn adviezen schriftelijk.
Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.
Artikel 9.9 en artikel 9.10
(Vervallen)
HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN
Artikel 10.1 en artikel 10.2
(Vervallen)
Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1, dan wel een omgevingsvergunning op aanvraag van de rechtsverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.
Artikel 10.4 en artikel 10.5
(Vervallen)
Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
(vervallen)
HOOFDSTUK 11 HANDHAVING
Artikel 11.1 t/m artikel 11.3
(Vervallen)
HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 12.1 t/m artikel 12.4
(Vervallen)
Artikel 12.5 Overgangsbepalingen
Op een aanvraag om een bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend voor 1 april 2012 en waarop op dit tijdstop nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing zoals die luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. Dit geldt niet voor de van rechtswege vervallen artikelen van de bouwverordening, omdat voor het voor deze artikelen in de plaats komende rijksregelgeving een dergelijke mogelijkheid niet kent.
Artikel 12.6 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 30 oktober 2014.
Artikel 2.5.30
Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent bouwen (Bouwverordening Amersfoort 2014)
Verwijzingen
- Artikel 5
- Artikel 9
- Artikel 9
- Artikel 8
- Artikel 5
- artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 8
- Artikel 3
- Artikel 9
- Artikel 12
- Artikel 10
- artikel 8
- Artikel 7
- artikel 8
- Artikel 7
- Artikel 7
- artikel 11
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 9
- Artikel 8
- artikel 4
- artikel 2
- Artikel 7
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 7
- artikel 7
- Artikel 10
- Artikel 9
- Artikel 12
- Artikel 10
- artikel 60 van de Woningwet
- Artikel 9
- Artikel 7
- artikel 5
- artikel 12
- Artikel 11
- artikel 5
- Artikel 9
- Artikel 5
- artikel 10
- artikel 7
- artikel 3
- Artikel 7
- artikel 8
- Artikel 8
- Artikel 12
- Artikel 2
- Artikel 9
- Artikel 9
- artikel 10