Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voorwaarden individuele inkomenstoeslag

Onderdeel van Verordening individuele inkomenstoeslag Stadskanaal 2015

Het college kent een individuele inkomenstoeslag toe, indien een persoon: een langdurig laag inkomen heeft; een maatschappelijke bijdrage levert of heeft geleverd in de vorm van een tegenprestatie als bedoeld in de Verordening tegenprestatie Participatiewet Stadskanaal; in een periode van twaalf maanden niet eerder een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen; in de referteperiode de bijstand niet is verlaagd wegens een gedraging van de tweede of derde categorie als bedoeld in de artikelen 7, onder b en c en 8, onder b en c van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Stadskanaal 2015 of wegens schending van de verplichtingen, genoemd in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet, en geen uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien: het college op grond van de artikelen 5, 6 en 7 van de Verordening tegenprestatie Participatiewet Stadskanaal geen tegenprestatie opdraagt of heeft opgedragen, of de persoon blijvend niet in staat is naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op gedragingen die hebben plaatsgevonden en verlagingen die zijn opgelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel