De kosten van openbaar vervoer worden vergoed tot een maximum van € 2500,- per jaar.
De medewerker maakt in overleg met zijn/haar direct leidinggevende de keuze voor het voordeligste vervoersbewijs voor de snelste route. Alleen de feitelijk gereisde werkdagen worden vergoed.
De medewerker declareert in het betreffende kalenderjaar de kosten voor het openbaar vervoer via E-HRM en voegt de vervoersbewijzen toe (tenzij anders afgesproken).
Indien de werkgever het vervoersbewijs verstrekt, is lid 3 niet van toepassing.
Indien het dienstverband van de medewerker tussentijds eindigt, worden de teveel vergoedde OV kosten bij de eindafrekening verrekend.
Hoofdstuk
Artikel 6.
Reizen met openbaar vervoer
Onderdeel van Reiskostenregeling woon-werkverkeer 2014