In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.
Ad. a
De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.
Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).
Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.
Ad. b
Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.
Ad. c
Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.
Ad. d
Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).
Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:
Is de voorziening gewoon te koop?
Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?
Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?
Ad. e
Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Daarnaast laat de cliënt, door de realisatie of aankoop van de voorziening, zien dat hijzelf (deels) in staat is om zijn beperkingen op te heffen en is een maatwerkvoorziening (als sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning) dan ook niet noodzakelijk.
Ad. f
In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Op het moment dat een cliënt tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, kan een aanvraag wel verder in behandeling genomen worden.
Ad. g
De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.
Ad. h
Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet het artikel 2.3.5, zesde lid.
Ad. i
De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel h opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven in de verordening zodat het kan dienen als beoordelings- en afwijzingsgrond. De CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de hier genoemde uitspraak) geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote rol speelt, zodat een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn.
De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Wat langdurig noodzakelijk is, als bedoeld onder a, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij cliënten die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situatie waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde ondersteuning hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand langere of frequente periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de beperkingen van voorbijgaande aard is, niet voor een maatwerkvoorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. cliënt kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de diverse (thuiszorg)organisaties. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur verschuldigd is. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode ondersteuning (bijv. hulp bij het huishouden of begeleiding) nodig is.
Voor de bepaling in het tweede lid, onder b, geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet het artikel 1.2.1. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. Zie hiervoor ook de toelichting van het begrip ‘ingezetene’, in artikel 1 onder n.
In het derde lid heeft het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening voor vervoer een grondslag gekregen. De collectieve vervoersvoorziening is al vanaf 1994 bekend in de vorm van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Naast het collectief vervoer kan ook worden gedacht aan de mogelijkheden voor bijvoorbeeld het opzetten een rolstoel- of scootmobielpools. Een cliënt kan pas voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in aanmerking komen als het gebruik van een collectief systeem niet mogelijk is, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.
In het vierde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden.
Ad a. Er is geen aanleiding om het begrip ‘normale gebruik van de woning’ onder de Wmo anders uit te leggen dan onder de Wmo 2007 (en daarvoor de Wvg). Om deze reden is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo 2007 blijkt dat maatschappelijke participatie een synoniem is voor het begrip ‘normale’ deelname aan het maatschappelijke verkeer' en dat daaronder in ieder geval ‘het normale gebruik van de woning’ wordt verstaan (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65). Noch de Wmo 2007 noch de parlementaire geschiedenis hiervan waren duidelijk wat verstaan moet worden onder het normale gebruik van de woning. Wel heeft de jurisprudentie invulling gegeven aan dat begrip. In de jurisprudentie wordt onder het normale gebruik van de woonruimte verstaan:
De toegankelijkheid van de woning (zie Rechtbank 's-Hertogenbosch 19-03-2010, nr. AWB 09/1544 en Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976 WMO).
Het verrichten van elementaire woonfuncties:
Het gebruik maken van de keuken (Vzr. Rechtbank Alkmaar 30-12-2008, nrs. 08/3200 Wmo e.a.).
Slapen, eten en lichaamsreiniging (CRvB 24-12-1999, 98/7777 WVG).
Het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals het doen van de was en het strijken en opbergen ervan. ( CRvB 06-08-1999, nr. 98/3172 WVG en en CRvB 07-06-2005, nr. 03/4336 WVG);
het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van de verzorging door een cliënt afhankelijke baby (CRvB 02-08-2006, nr. 04/4459 WVG).
dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen (CRvB 23-04-1999, 98/1424 WVG).
De rechtbank Alkmaar oordeelt (net als in CRvB 07-06-2005, nr. 03/4336 WVG) dat de enkele bereikbaarheid van een hobbykamer op de eerste verdieping van een woning niet tot de elementaire woonfuncties kan worden gerekend (Rechtbank Alkmaar 01-07-2010, nr. 09/157 WMO).
Ad b.
Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen.
Ad c.
Een woonvoorziening voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de Huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen. Deze komen echter weinig voor en kunnen apart geregeld worden in het verstrekkingenbeleid.
Ad d.
Een woonvoorziening wordt niet verstrekt voor zover het voorzieningen betreft in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen en vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Dit zal gebeuren in nauw overleg en met afstemming met de woningbouwcorporaties, daar zij hier in het kader vanuit het woonhuisvestingsbeleid ook een verantwoordelijkheid in hebben.
Ad e.
Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder dat er sprake is van een (medische) noodzaak, maar uit het oogpunt van een specifieke individuele wens. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een andere, mindere of ongeschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten ‘belangrijke reden’. Daarbij kan gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.
Ad f.
Er wordt bij een persoon met beperkingen die verhuist, vanuit gegaan dat hij zoekt en verhuist naar een woning die in relatie tot die beperkingen zo geschikt mogelijk is. Het is niet de bedoeling dat deze persoon verhuist naar een ongeschikte woning en vervolgens een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in het kader van wonen bij de gemeente indient. Met het begrip ‘verhuizen’ wordt hier overigens niet alleen gedoeld op een feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-/ huur- of erfpachtcontract, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende woning zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.
Ad g.
Er is geen aanleiding om het begrip ‘normale gebruik van de woning’ onder de Wmo anders uit te leggen dan onder de Wmo 2007 (en daarvoor de Wvg). Om deze reden is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2012 dan wel zijn opvolgers. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit: duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages vallen bijvoorbeeld niet onder dit uitrustingsniveau. Ook bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.
HOOFDSTUK 2:
Artikel 10.
Voorwaarden en weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voerendaal 2015