Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet het artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a. Hierbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De wet bepaalt in artikel 2.3.5, tweede lid, dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt het eerste lid de wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, eerste lid van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet.
In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe daar hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen (zie hiervoor artikel 3 en de toelichting daarbij). Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
In het derde lid is bepaald dat een door de cliënt of diens vertegenwoordiger, getekend ondersteuningsplan, als aanvraagformulier dient. Hierdoor wordt een brug geslagen tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.