**1..** Bij het beoordelen van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3 als uitgangspunt.
**2..** Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren, of te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag eerst beoordeeld.
**3..** Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en op grond van artikel 2.1.2 van de wet in ieder geval de volgende criteria:
een aanspraak op een algemene of andere voorziening is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening;
er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang;
er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke voorziening;
er is geen sprake van voorzienbaarheid;
kosten die tot het moment van de aanvraag al zijn gemaakt, dan wel redelijkerwijs in de nabije toekomst toch hadden moeten worden gemaakt, worden niet vergoed;
het college kent in beginsel de adequaatste en zo goedkoop mogelijke voorziening toe;
het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.
**4..** Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorzieningen en de toegang daartoe als bedoeld in dit hoofdstuk.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.1