Naar hoofdinhoud
1.. Een cliënt is voor een maatwerkvoorziening een bijdrage verschuldigd, met uitzondering van een rolstoel en van hulpmiddelen voor kinderen tot 18 jaar. 2.. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is ten hoogste gelijk aan de maximale bijdrage die mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarbij geldt dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de kostprijs van de voorziening; de bijdrage voor een persoonsgebonden budget ten behoeve van begeleiding of dagbesteding wordt verlaagd naar maximaal 53% van het persoonsgebonden budget. de bijdrage voor een persoonsgebonden budget ten behoeve van beschermd wonen wordt verlaagd naar maximaal 40% van het persoonsgebonden budget indien sprake is van ondersteuning door een professional. voor woningaanpassingen geldt een maximale bijdrage van maximaal 75% van de kostprijs . 3.. De kostprijs van een maatwerkvoorziening is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening afneemt of aanschaft van een (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de bijkomende kosten. 4.. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget door het CAK vastgesteld en geïnd. 5.. De bijdrage inzake toekenning van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.5 van de wet verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 6.. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt berekend op basis van: als de dienst per periode wordt geleverd: de gecontracteerde periode prijs. voor woonvoorzieningen: de prijs die de gemeente betaalt voor de voorziening. voor vervoersvoorzieningen: de prijs na declaratie. voor hulpmiddelen: de prijs gelijk aan de PGB verstrekking of de maandelijkse huurprijs. voor overige gevallen per periode en op basis van de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening over die periode verschuldigd is. 7.. Het college brengt de bijdrage voor de volgende periode in rekening: voor dienstverlening: zolang de toekenning voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden. voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening, en waar van toepassing tot maximaal de kostprijs van een eenmalig (PGB) verstrekte voorziening. bij een periodieke verstrekking van een persoonsgebonden budget: over iedere periode waarover een persoonsgebonden budget is verstrekt. voor kortdurend verblijf, per periode. 8.. Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde bijdrage allereerst ten goede van de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is. 9.. Het college kan, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, nadere regels stellen voor welke maatwerkvoorzieningen de eigen bijdrage verschuldigd is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel