1 . De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming van
het bepaalde in artikel 10 door de beheerder.
Tot de begraving of bijzetting wordt overgegaan:
indien is voldaan aan de in artikel 15 en 17 opgenomen
vereisten;
indien, voor zover het de begraving van een stoffelijk
overschot betreft, het personeel van de begraafplaats de
overeenkomst tussen de identiteit van het stoffelijk
overschot en het registratienummer vermeld op de kist,
hetzij een ander lijkomhulsel, met inbegrip van een
bijgevoegd document dat tevens de namen, overlijdens- en
geboortedatum van de overledene dan wel de geslachtsnaam van
de levenloosgeborene bevat, ter vaststelling kenbaar heeft
gemaakt.