1. De belasting wordt geheven:
a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft
krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of
indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen:
eigenarendeel; en
b. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op
de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen:
gebruikersdeel.
2. Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een
onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig
in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat
tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
is.
3. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker
aangemerkt:
a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet
krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
b. ingeval een gedeelte van een perceel -niet een gedeelte als bedoeld in
artikel 4- voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik
heeft afgestaan.
Artikel 3
Belastbaar feit en belastingplicht
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de rioolheffing 2015