**1..** Op grond van het gestelde in artikel 58, tweede lid Participatiewet is het college bevoegd om in beleidsregels de voorwaarden vast te leggen op grond waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand van de belanghebbende wordt teruggevorderd, anders dan als gevolg van de verwijtbare niet-nakoming van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid Participatiewet, voor zover hierin niet reeds is voorzien in paragraaf 6.4 Participatiewet of op grond van artikel 44 tot en met 47 Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004.
**2..** Op grond van het gestelde in artikel 58, tweede lid Participatiewet of artikel 25, tweede en derde lid IOAW of IOAZ of artikel 44, tweede lid Bbz is het college bevoegd om in beleidsregels de voorwaarden vast te leggen op grond waarvan het college tijdelijk, dan wel geheel of gedeeltelijk, kan afzien van terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand of uitkering, naast hetgeen hierover reeds bepaald is in artikel 58, zevende en achtste lid Participatiewet of artikel 25, zesde en zevende lid IOAW of IOAZ.
**3..** Op grond van het gestelde in artikel 60, tweede lid Participatiewet of artikel 28, eerste lid IOAW of IOAZ is het college bevoegd om in beleidsregels de voorwaarden vast te leggen ten aanzien van de invordering van kosten van bijstand, voor zover hierin niet reeds is voorzien in de bepalingen van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht over bestuursrechtelijke geldschulden.
**4..** Het gestelde in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheden van het college zoals die zijn beschreven in de artikelen 25, tweede en derde lid en volgende tot en met artikel 32 IOAW en IOAZ.
Hoofdstuk 4.
Artikel 6.
Terugvordering
Onderdeel van Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Vught 2018