Burgers kunnen in een vergadering het woord voeren
(spreekrecht) over onderwerpen die geagendeerd zijn.
Het woord kan niet gevoerd worden over:
een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en
beroep openstaat of heeft opengestaan;
benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
personen;
een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de
Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.
Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit
binnen een redelijke termijn voor de aanvang van de
vergadering aan de griffier onder vermelding van zijn naam,
adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover het woord
gevoerd wenst te worden.
De commissievoorzitter geeft het woord op volgorde van
aanmelding. De commissievoorzitter kan van de volgorde
afwijken, als dit in het belang is van de orde van de
vergadering.
De spreker voert het woord, nadat de commissievoorzitter hem
dit heeft verleend. De commissievoorzitter kan de deelnemers
aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte,
verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie
plaats tussen een inspreker en deelnemers van de
vergadering.
De commissievoorzitter of een commissielid doet een voorstel
voor de behandeling van de inbreng van de burger.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 17.
Spreekrecht burgers
Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2014