In artikel 9 zijn specifieke bepalingen over het pgb opgenomen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouder een voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouder bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.
Hierin is aangesloten op artikel 8.1.1 van de wet, dat voor het pgb is aangepast aan de verwante regelgeving met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als geregeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb.
De formulering in artikel 8.1.1 maakt nog wel mogelijk dat jeugdigen of hun ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb dan slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgesteld aanbod. Deze mogelijkheid is expliciet vastgelegd in lid 1, onder letter d.
Lid 3 geeft aan dat het college nadere regels stelt over de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld en voorwaarden die gesteld worden aan inzet van personen uit het sociale netwerk. Waar nodig worden deze beleidsregels aangepast na evaluatie van het pgb gebruik. De gemeente legt in deze nadere beleidsregels eisen vast ter waarborging van de kwaliteit van de voorziening.
Lid 4 is toegevoegd ter voorkoming van een betaling voor een voorziening welke al is ingezet zonder oordeel van een professional of deze voorziening het meest geschikt en adequaat is. Enkel bij het indienen van een aanvraag door een jeugdige of ouder kan een pgb verstrekt worden.