Naar hoofdinhoud
Voor de toeleiding naar een overige voorziening of het verkrijgen van een individuele voorziening geldt de vanaf artikel 3 beschreven procedure. Het college is het bevoegde orgaan om jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. De toeleiding naar individuele voorzieningen verloopt in de regel via het Plusteam. Er kunnen zich drie bijzondere toeleidingssituaties voordoen; deze worden beschreven in lid 1 en 2. Lid 1 regelt de wijze waarop het college omgaat met de toegang via de huisarts, medisch specialist en jeugdarts tot de jeugdhulp zoals geregeld in artikel 2.5, eerste lid, onder g, van de wet. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan een jeugdige of zijn ouders verwijzen naar een individuele voorziening. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de levering van de voorziening, moet een dergelijke verwijzing door de gemeente worden bekrachtigd. Met andere woorden, een huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan aangeven dat een individuele voorziening nodig is, maar het is de gemeente die het formele besluit (een verleningsbeschikking als bedoeld in artikel 9) dient te nemen zodat de voorziening ook daadwerkelijke beschikbaar is voor de jeugdige of zijn ouders. De gemeente zal in beginsel niet treden in het oordeel van de verwijzer. In geval zich een structureel meningsverschil voordoet tussen de gemeente en een verwijzer, kan de gemeente een beroep doen op de expertise van een deskundige. Lid 3 is een weergave van artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet en regelt de uitvoering van de verplichting van het college om jeugdhulp in te zetten die nodig wordt geacht in situaties waarbij de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal in eerste instantie een beroep moeten worden gedaan op het voorzieningenpakket dat door de gemeente is ingekocht via subsidies dan wel contracten. Maar mocht hierin een leemte bestaan, dan zal het college anderszins in de op haar rustende verplichting moeten voldoen. Lid 4 van dit artikel regelt de start van het toegangstraject voor jeugdigen en ouders met een hulpvraag. Lid 4 bepaalt de ontvangst van de melding en bevestiging hiervan. De derde bijzondere toeleidingssituatie (lid 5) doet zich voor bij crisissituaties. Beschreven wordt welke mogelijkheden het college dan heeft om adequaat te reageren. Het gaat dan om situaties waarbij gesloten jeugdhulp nodig is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. Volgens art. 6.1.8 van de wet kan het college hiervoor bij de kinderrechter een verzoek indienen voor een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging. In lid 7 van dit artikel is geregeld dat onder andere de jeugdige en ouders die een beroep doen op een overige voorziening zoals een opvoedcursus, zich hier direct toe kunnen wenden zonder de procedure vanaf artikel 3 te hoeven doorlopen. In dit opzicht is er geen verschil met de situatie van vóór de inwerkingtreding van deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel