Het is verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
De ontheffing bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd:
in het belang van de openbare orde en veiligheid;
ter bescherming van de woon- en leefomgeving;
ter bescherming van de flora en de fauna;
dter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, verbrandingsresten, walm of stank.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover:
op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften,
de provinciale milieuverordening,
artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van strafrecht van toepassing zijn;
het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
het betreft vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving.
Bij het verlenen van een ontheffing dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van de Wet Milieubeheer. Het is niet de bedoeling dat een ontheffing van het stookverbod ook wel gebruikt wordt als een soort vuilverbranding. Dit is in strijd met de Wet Milieubeheer.
Het is mogelijk in de hieronder genoemde gevallen, aan de nader omschreven organisaties, een ontheffing te verlenen.