Indien het college het ernstige vermoeden heeft dat er grond bestaat om de
beschikking tot verlening van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5.4
in te trekken of te wijzigen kan het college de verlening van de
tegemoetkoming opschorten. Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop
de beschikking omtrent de intrekking of de wijziging is bekendgemaakt of op
de dag waarop sedert de kennisgeving van de opschorting dertien weken zijn
verstreken.
Het college trekt de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming als
bedoeld in artikel 5.4 in of wijzigt deze ten nadele van de ouder,
indien:
de kinderopvang niet plaatsvindt of niet zal plaatsvinden;
de ouder en/of de partner niet voldoet aan de verplichtingen;
de ouder en/of de partner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
en juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
tot verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid;
de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de ouder en/of
de partner dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
tegemoetkoming is verleend, tenzij bij de intrekking of de wijziging anders
is bepaald.
Het college trekt de beschikking tot definitieve vaststelling van de
tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.2. in of wijzigt deze ten nadele van
de ouder, indien:
de ouder en/of de partner na de definitieve vaststelling niet voldoet aan de
verplichtingen;
er sprake is van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
defintieve vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de
hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan
overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;
de definitieve vaststelling onjuist was en de ouder en/of de partner dit
redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3
Opschorting en herziening
Onderdeel van Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang