De verlaging wordt, voor zover mogelijk, in principe opgelegd
met ingang van de kalendermaand waarin de verwijtbare gedraging
is geconstateerd. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
geldende bijstand/inkomensvoorziening.
Indien de verlaging niet conform het eerste lid kan plaatsvinden
wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerstvolgende
kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is
bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
geldende bijstand/inkomensvoorziening.
Indien oplegging van de verlaging niet conform het eerste en het
tweede lid kan plaatsvinden kan de verlaging met terugwerkende kracht
met toepassing van artikel 54, lid 3, sub b WWB, danwel artikel 40, lid
3 WIJ worden opgelegd, voor zover het verwijtbaar gedrag, dat tot de
verlaging heeft geleid, in deze periode heeft plaatsgevonden. Daarbij
wordt uitgegaan van de voor die maand(en) geldende
bijstand/inkomensvoorziening. Dit artikel is niet van toepassing op de
verlaging als genoemd in artikel 4, lid 1, sub e.
Hoofdstuk 7.
Artikel 11
Ingangsdatum en tijdvak
Onderdeel van Verordening afstemmingsbeleid WWB en WIJ