Beschikkingen zijn in principe gebaseerd op voorzieningen in natura, tenzij de jeugdige en/of de ouders een pgb wensen en er wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in art. 8.1.1 lid 3 van de wet.
In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:
welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
welke aanvullende voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:
voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb, en
of het pgb mag worden besteed aan inzet door derden of iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een professionele hulpverlener.
Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.