Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd.
Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ, wordt een verlaging opgelegd.
Hierbij worden de volgende categorieën van gedragingen onderscheiden:
Eerste categorie:
verbaal geweld (schelden);
discriminatie;
Tweede categorie:
intimidatie (uitoefenen van psychische druk);
zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);
Derde categorie:
mensgericht fysiek geweld;
combinatie van agressievormen
Onverminderd artikel 2, wordt de verlaging zoals genoemd in dit artikel vastgesteld op:
20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.
De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging in dezelfde of een hogere categorie.
Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging, zoals bedoeld in dit artikel, binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit artikel, stemt het college de hoogte en de duur van de verlaging, onverminderd artikel 2 individueel vast.
Hoofdstuk
Artikel 14.
Zeer ernstige misdragingen
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Uithoorn 2015