De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld op:
5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.
Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of het niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Deze waarschuwing telt mee voor het vaststellen of sprake is van recidive.
De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging of het opleggen van een schriftelijke waarschuwing met toepassing van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging in dezelfde of een hogere categorie.
Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging, zoals bedoeld in dit artikel, binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit artikel, stemt het college de hoogte en de duur van de verlaging, onverminderd artikel 2 individueel vast.
Hoofdstuk
Artikel 9.
Hoogte en duur van de verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Uithoorn 2015