Het eigenarendeel voor woningen wordt geheven naar een vast bedrag
per perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct
of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Het gebruikersdeel voor woningen wordt geheven naar een vast bedrag
per perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct
of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Het eigenarendeel voor niet-woningen wordt geheven naar de waarde
van het perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel
direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke
riolering.
Het gebruikersdeel voor boerderijen wordt geheven naar de waarde van
het perceel, verhoogd met een vast bedrag indien het perceel direct
of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Het gebruikersdeel voor niet-woningen, niet zijnde boerderijen,
wordt geheven naar de waarde van het perceel, verhoogd met een
bedrag, geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het
perceel wordt afgevoerd indien het perceel direct of indirect is
aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Het aantal kubieke meters water, bedoeld in het vijfde lid, wordt
gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat
in de laatste aan het einde van het belastingjaar voorafgaande
verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.
Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van
twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar
tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een
kalendermaand voor een volle maand gerekend.
In afwijking van het zesde lid, wordt bij afwezigheid van een
verbruiksperiode voor het perceel in geval van nieuwbouw of verbouw,
of als er in de verbruiksperiode geen water naar het perceel is
toegevoerd of is opgepompt, het aantal kubieke meters afvalwater
gesteld op 500 m3, tenzij aannemelijk is dat er meer dan 500 m3
wordt afgevoerd. In de laatste situatie zal de gebruiker worden
verplicht een aangifte in te vullen. In dat geval wordt de
belastingschuld voor het eerste belastingjaar vastgesteld aan de
hand van het waterverbruik in het eerste jaar.
Indien gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
pompinstallatie voorzien zijn van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan
worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest
kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de
hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere
wettelijke bepaling.
Indien wordt aangetoond dat toegevoerd of opgepompt water niet door
middel van de gemeentelijke riolering is afgevoerd en indien deze
hoeveelheid ten minste 20% van de toegevoerde of opgepompte
hoeveelheid water bedraagt, wordt de op voet van het zesde lid
bepaalde hoeveelheid afgevoerd water verminderd met de op andere
wijze afgevoerde hoeveelheid water.
Indien voor de direct of indirect op de gemeentelijke riolering
aangesloten percelen in verband met het ontbreken van afzonderlijke
watermeters niet de hoeveelheid afvalwater kan worden vastgesteld
zoals hiervoor omschreven, wordt de verdeelsleutel gehanteerd zoals
deze door de respectievelijke gebruikers wordt gebruikt voor de
onderlinge verdeling van de waternota van de
waterleidingmaatschappij en bij het ontbreken van een dergelijke
regeling overgegaan tot een zo reëel mogelijke verdeling op basis
van beschikbare gegevens.
Een belastingplichtige, welke de voor de berekening van de heffing
in aanmerking te nemen hoeveelheid water niet of niet uitsluitend
van een waterleidingbedrijf heeft afgenomen, is verplicht jaarlijks
aangifte te doen van de hoeveelheid op andere wijze toegevoerd of
opgepompt water.
Artikel 4
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2015