Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Of er recht bestaat op individuele bijzondere bijstand is afhankelijk van een aantal factoren. Ten eerste moet er sprake zijn van noodzakelijke kosten van bestaan. Het begrip noodzakelijkheid mag niet te strikt, maar ook niet te ruim worden uitgelegd. Het is hierbij niet van belang of de aanvrager zelf de vergoeding van de kosten noodzakelijk acht, maar of zij naar algemeen maatschappelijke maatstaven als noodzakelijk moeten worden gezien. Ook beperken de noodzakelijke kosten zich niet alleen tot eerste levensbehoeften, kosten die uit medisch oogpunt noodzakelijk zijn of kosten waarvoor zeer dringende redenen bestaan.
Evenwel bestaan er een aantal kosten waar volgens de wetgever geen ruimte voor bestaat om bijzondere bijstand te verstrekken. Deze zijn opgenomen in artikel 14 van de WWB en zijn
de voldoening aan alimentatieverplichtingen;
de betaling van een boete;
geleden of toegebrachte schade;
vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;
kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.
Ten tweede, betreft het kosten waarin al wordt voorzien. Zo mogen de kosten niet al in het normbedrag van de algemene bijstand zijn opgenomen en mag er geen aanspraak zijn op een voorliggende voorziening (artikel 15 WWB).
Ten derde moet er sprake zijn van bijzondere individuele omstandigheden waaruit de kosten voortvloeien. Hierbij is niet de aard van de kosten leidend maar de individuele omstandigheden van de aanvrager. Dit houdt ook in dat kosten die naar algemeen maatschappelijke maatstaven niet als noodzakelijk worden gezien, deze niet om die reden mogen worden afgewezen, zonder naar de individuele omstandigheden van de aanvrager te kijken. Als ze door individuele omstandigheden als noodzakelijk moet worden gezien, moet er toch bijzondere bijstand worden verstrekt.
Als laatste moet worden beoordeeld of de kosten niet uit aanwezige middelen kunnen worden voldaan. Hierin heeft de gemeente een bepaalde beleidsvrijheid om de draagkracht vast te stellen.
In hoofdstuk 8 wordt hier verder op ingegaan.
Door de individuele beoordeling is het onmogelijk een complete lijst te maken van noodzakelijke of juist niet-noodzakelijke kosten. In Handboek WWB van Schulinck is wel een lijst van wel-bijzondere- noodzakelijke-kosten en niet-bijzondere-noodzakelijke-kosten opgenomen, samengesteld uit wetteksten, wetshistorie en jurisprudentie. Ook deze lijst moet echter in het kader van maatwerk altijd in het licht van de bijzondere individuele omstandigheden van het individuele geval worden beoordeeld. Om een richtlijn te geven worden in deze beleidsregel de meest voorkomende kosten besproken. In de gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien, zal in de geest van deze beleidsregels een gemotiveerd besluit moeten worden genomen.
hoofdstuk 2
Artikel 35
van de Wet werk en bijstand:
Onderdeel van Besluit bijzondere bijstand Dalfsen 2012