Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.

Algemene bepalingen

Onderdeel van Participatieverordening 2015

1.. Het Dagelijks Bestuur biedt aan klanten ondersteuning bij participatie voor zover deze ondersteuning door het Dagelijks Bestuur voor de participatie noodzakelijk wordt geacht. Deze kan onder andere bestaan uit: werkstage; sociale activering; detacheringsbaan; scholing; participatieplaats; beschut werk; ondersteuning bij leer-werk traject; persoonlijke ondersteuning; no-risk polis; loonkostensubsidie; uitstroompremie. 2.. Het Dagelijks Bestuur maakt een afweging van de individuele mogelijkheden en capaciteiten van een klant, teneinde de ondersteuning van klanten zodanig vorm te kunnen geven dat de beoogde mate van participatie zo doelmatig mogelijk wordt gerealiseerd en stelt terzake beleid vast. 3.. Het Dagelijks Bestuur kan bij het bepalen van de wijze waarop de ondersteuning wordt vormgegeven, prioriteiten stellen in verband met de beschikbare financiële middelen en de maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 4.. Bij de toepassing van het tweede lid besteedt het Dagelijks Bestuur in ieder geval aandacht aan de afstand tot de arbeidsmarkt, de omstandigheden en functionele beperkingen van een klant. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die klant en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 5.. Onder zorgtaken, als bedoeld in het vorige lid, worden in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 6.. Het Dagelijks Bestuur kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet; naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur de voorziening onvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 7.. Het Dagelijks Bestuur kan, in aanvulling op de verplichtingen die zijn verbonden aan de inkomensvoorziening waar een klant aanspraak op maakt, nadere verplichtingen verbinden aan het besluit tot het aanbieden van een voorziening. 8.. Het Dagelijks Bestuur doet een klant een aanbod voor ondersteuning bij participatie dat in overeenstemming is met de bepalingen van deze verordening en de op deze verordening gebaseerde beleidsregels. 9.. Een klant heeft geen recht op ondersteuning als er een voorliggende voorziening voorhanden is die naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur voldoende bijdraagt aan het behalen van de voor de klant hoogst haalbare participatietrede. 10.. De voorzieningen ter ondersteuning van de klant worden door het Dagelijks Bestuur vastgelegd in beleidsregels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel