**1..** Voor het bestuur in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag is het uitgangspunt dat besluitvorming als verlengd lokaal bestuur op transparante wijze democratisch gelegitimeerd plaatsvindt.
**2..** De vertegenwoordigende organen geven bij belangrijke besluiten steeds vooraf hun zienswijzen op de wijze omschreven in het derde lid. Tot deze besluiten worden in ieder geval gerekend:
de strategische agenda, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid;
het werkplan, bedoeld in artikel 3:2, derde lid;
het overdragen van bevoegdheden door het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 3:3, derde lid;
de strategische bereikbaarheidsagenda;
het regionaal verkeer- en vervoersplan, ingevolge de Planwet verkeer en vervoer;
het programma van eisen voor de verlening van een vervoersconcessie;
de uitgangspunten voor de dienstregeling voor het openbaar vervoer;
het treffen, wijzigen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling, alsmede het toetreden tot of uittreden uit een gemeenschappelijke regeling;
het oprichten van of deelnemen in een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze of besloten vennootschap, stichting, vennootschap onder firma of maatschap;
het vaststellen en wijzigen van de begroting, overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
het liquidatieplan bij uittreding en opheffing, en
het besluit bedoeld in artikel 2:8, tweede en derde lid.
**3..** Om de vertegenwoordigende organen in staat te stellen tijdig hun zienswijzen over belangrijke besluiten te geven worden de concepten daarvan aangeboden tenminste acht weken voordat over deze besluiten in het algemeen bestuur wordt beraadslaagd of besloten. De vertegenwoordigende organen kunnen bij het dagelijks bestuur hun gevoelens en bezwaren omtrent het voorstel indienen. Het dagelijks bestuur zendt de zienswijzen aan het algemeen bestuur, waarbij het dagelijks bestuur een advies omtrent de zienswijzen kan toevoegen.
**4..** Het algemeen bestuur beslist niet dan nadat de vertegenwoordigende organen tenminste acht weken de tijd hebben gehad te reageren op het voorgelegde besluit.
**5..** Het algemeen bestuur kan bepalen dat naast de in deze regeling genoemde besluiten ook andere besluiten worden onderworpen aan de zienswijzenprocedure.
**6..** Op besluiten waarop de zienswijzenprocedure van toepassing is, is artikel 2:3, tweede lid, niet van toepassing.