Volgens artikel 4, eerste lid bepaalt het college of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen het besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Daarbij is het niet van belang welke afstand tot de arbeidsmarkt de persoon heeft.
Factoren opdragen tegenprestatie
In artikel 4, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.
De tegenprestatie mag acceptatie van arbeid of re-integratie niet in de weg staan.Uitgangspunt blijft dat wie kan werken, ook zo snel mogelijk wordt begeleid naar regulier werk.
Rekening houden met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
Artikel 4, tweede lid bepaalt dat het college maatwerk dient toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten.
Factor: Tegenprestatie 'naar vermogen'
De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen door een uitkeringsgerechtigde verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een uitkeringsgerechtigde beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).
Factor: Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden uitkeringsgerechtigde
Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring. Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van de uitkeringsgerechtigde. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren.
Factor: Persoonlijke wensen en kwaliteiten uitkeringsgerechtigde
Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van uitkeringsgerechtigde. De regering vindt het immers belangrijk dat een uitkeringsgerechtigde invloed heeft op de keuze van de activiteiten.
Geen tegenprestatie
In artikel 4, derde lid, is vastgelegd aan welke doelgroepen geen tegenprestatie wordt opgelegd.
Artikel 4, derde lid, onderdeel a, van de verordening bepaalt dat het college kan besluiten personen die voldoende maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verrichten geen tegenprestatie op te leggen.
De omstandigheid dat een uitkeringsgerechtigde maatschappelijke activiteiten verricht, kan ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie. Voorbeelden van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.
Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen begripsomschrijving opgenomen
In het derde lid, onderdeel b, van artikel 4 is opgenomen dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een uitkeringsgerechtigde mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een uitkeringsgerechtigde mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een uitkeringsgerechtigde geen tegenprestatie op.
Een tegenprestatie is niet van toepassing op een uitkeringsgerechtigde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). Daarnaast is deze verplichting ook niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste en zevende lid, van de Participatiewet).
Een tegenprestatie is geen re-integratie instrument. Voor uitkeringsgerechtigden is het belangrijkste om zelfstandig een inkomen te verdienen. Daarom is hier opgenomen dat geen tegenprestatie wordt opgedragen aan die uitkeringsgerechtigde van wie het uitvoeren van een tegenprestatie zijn re-integratie op de arbeidsmarkt in de weg staat.
Indien daarvoor voldoende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).
Hoofdstuk 3.
Artikel 4.
Het opdragen van een tegenprestatie
Onderdeel van Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Roerdalen 2015