Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting, inclusief een geüniformeerde arbeidsverplichting, wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de verlaging in plaats van de hoogte. Dus komen bijvoorbeeld geüniformeerde arbeidsverplichting uit op 2 maanden.
Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.
Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 16 van deze verordening van toepassing. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt dat de hoogte een/of de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt aangepast.
Hoofdstuk
Artikel 14.
Recidive
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAZ en IOAW gemeente Zwolle 2015