**1..** Het college kent in aanvulling op artikel 4.1 een persoonsgebonden budget toe als naar het oordeel van het college is vastgesteld dat:
cliënt, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel in staat is te achten om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;
is gemotiveerd dat een cliënt een persoonsgebonden budget wenst;
is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget betaald moeten worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.
**2..** De hoogte van het PGB wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.
**4..** De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten;
**5..** Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. In de afwegingscriteria wordt een duidelijke meerwaarde aangetoond. In geval van:
krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt door het college in het Besluit vastgesteld;
mogen tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald;
als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie;
deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt.
**6..** Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hierover met het college afspraken zijn gemaakt;
**7..** Het college bepaalt in nadere regeling op welke wijze de hoogte van het PGB wordt vastgesteld;
**8..** Het college bepaalt in nadere regeling onder welke voorwaarden betreffende het tarief, een cliënt aan wie een PGB wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.
**9..** Het college kan jaarlijks per 1 januari het PGB verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
**10..** Het college kent geen PGB toe als:
in de drie jaren, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet;
het bieden van een keuze voor het persoonsgebonden budget negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura;
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;
voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij voldaan is aan door het college te stellen nadere voorwaarden;
**11..** Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vierde lid, van de wet vertrekt het college geen PGB voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2
Aanvullende criteria persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Woudenberg 2015