De aflossing voor een Participatiewet- , Ioaz of Ioaz-uitkeringsgerechtigde bedraagt:
als sprake is van vorderingen die voortvloeien uit schending van de inlichtingenplicht: 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm , inkomensnorm of uitkeringsnorm per maand;
in de overige omstandigheden: 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inkomensnorm of uitkeringsnorm per maand.
De aflossing voor debiteur met een ander inkomen bedraagt:
als sprake is van vorderingen die voortvloeien uit schending van de inlichtingenplicht: 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inkomensnorm of uitkeringsnorm als het andere inkomen niet meer bedraagt dan 110% van de norm per maand, vermeerderd met 50% als het andere inkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, inkomensnorm of uitkeringsnorm;
b. in de overige omstandigheden: 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inkomensnorm of uitkeringsnorm per maand als het andere inkomen niet meer bedraagt dan 110% van de toepasselijke norm, vermeerderd met 50% als het andere inkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, inkomensnorm of uitkeringsnorm.
3.De aflossing vermeld in lid 1 sub b wordt in geval van beslaglegging door een derde verhoogd naar 10%.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 22.
Aflossingscapaciteit
Onderdeel van Beleidsregels debiteurenbeleid