Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.1

Artikel 62.

Dringende redenen

Onderdeel van Beleidsregels debiteurenbeleid

Het college van burgemeester en wethouders is op grond van de Participatiewet, de Ioaz of de Ioaz niet verplicht om te besluiten tot invordering van een vordering of verhaal van verleende bijstand, inkomen of uitkering. Ondanks dat onder het regime van de Participatiewet sprake is van een bevoegdheid tot terugvordering en verhaal, zal daar waar noodzakelijk en mogelijk, in voorkomende gevallen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering of verhaal indien er sprake is van bij de debiteur gelegen dringende redenen. De dringende redenen kunnen zowel gelegen zijn aan de zijde van degene die bijstand of een uitkering ontvangt of heeft ontvangen, als aan de zijde van degene op wie verhaal wordt gezocht. Het begrip “dringende redenen” is hierbij bewust niet nader gedefinieerd. De dringende redenen zijn per definitie gelegen in de individuele omstandigheden van de debiteur. Bij het aannemen van dringende redenen kunnen zowel financiële als niet financiële factoren een rol spelen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan ambtshalve of op verzoek van de debiteur, besloten worden geheel of gedeeltelijk van terugvordering, verdere terugvordering, verhaal van kosten van verleende bijstand, verder verhaal van kosten van verleende bijstand, waaronder begrepen de inning van een verhaalsvordering, af te zien. Een en ander wordt vastgelegd in een beschikking. Het uitgangspunt blijft echter dat zoveel mogelijk van de schuld wordt terugbetaald.

Rechtspraak bij dit artikel