Naar hoofdinhoud

Paragraaf 4

Artikel 30

Schriftelijke vragen

Onderdeel van Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

1.. Een lid is bevoegd buiten de vergadering aan de burgemeester en aan het college schriftelijk vragen te stellen. De vragen moeten kort en duidelijk zijn geformuleerd. Een korte feitelijke toelichting op de vragen is mogelijk. 2.. Schriftelijke vragen, die niet voldoen aan het gestelde in het eerste lid of niet conform de eisen ingevolge de Gemeentewet zijn, worden per omgaande aan de indiener teruggestuurd. 3.. De voorzitter draagt zorg, dat de leden de tekst van de gestelde vragen zo spoedig mogelijk ontvangen. Hij kan desgewenst over vorm en inhoud van de vragen vooraf mondeling overleg plegen met de steller. 4.. Indien na het overleg de vragen al dan niet gewijzigd worden gehandhaafd, handelt de voorzitter alsnog zoals in het tweede lid is bepaald. 5.. De vragen worden schriftelijk aan de gehele raad binnen vier weken na de datum, waarop zij zijn ingekomen beantwoord. Indien de beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, wordt daarvan onder mededeling van de redenen aan de raad kennis gegeven. Vervolgens wordt zo spoedig mogelijk in overleg tussen de voorzitter en de vragensteller(s) een nieuwe termijn bepaald, waarbinnen beantwoording plaatsvindt. Indien ook deze termijn wordt overschreden, worden de vragen beschouwd als vragen te stellen op grond van artikel 29. De voorzitter stelt de vragen aan de orde in de eerstvolgende vergadering van de raad die na de datum van overschrijding wordt gehouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel