Naar hoofdinhoud

Paragraaf 4

Artikel 29

Mondelinge vragen

Onderdeel van Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

1.. De voorzitter geeft de raadsleden de gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen aan het college of de burgemeester na de vaststelling van de besluitenlijst, doch indien in de vergadering voorstellen voor de benoeming van personen aan de orde zijn na afloop van de beraadslaging over deze voorstellen. 2.. Het lid dat vragen wil stellen meldt dit, onder aanduiding van het onderwerp, de spoedeisendheiden de aspecten waarop de vragen betrekking zullen hebben, schriftelijk aan bij de voorzitter tot uiterlijk tijdens het fractievoorzittersoverleg dat aan de betreffende raadsvergadering voorafgaat. 3.. De leden kunnen slechts vragen stellen over niet op de agenda vermelde onderwerpen. Geen vragen kunnen worden gesteld over keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen. 4.. De voorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens de mondelinge vragen aan de orde te stellen, indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig omschreven acht dan wel strijdig acht met het recht of met het algemeen belang. 5.. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de onderwerpen van de mondelinge vragen aan de orde worden gesteld. 6.. De vragensteller wordt voor ten hoogste twee minuten het woord verleend om vragen te stellen en een toelichting te geven. Het lid of de leden van het college, meer in het bijzonder met de beantwoording belast, of de burgemeester wordt voor ten hoogste drie minuten het woord verleend om de vragen te beantwoorden. 7.. Na de beantwoording wordt de vragensteller desgevraagd één minuut het woord verleend om hetzij aan het college of de burgemeester hetzij aan een van de andere leden van de raad aanvullende vragen te stellen. Aan een ieder tot wie de vragen zijn gericht wordt voor ten hoogste twee minuten het woord verleend om te antwoorden. 8.. Hierna kan namens elke fractie, behoudens die van het lid dat de vragen heeft gesteld, één lid aanvullende vragen stellen; indien van deze gelegenheid gebruik wordt gemaakt, geldt hiervoor eveneens een spreektijd van ten hoogste één minuut. Aan een ieder tot wie de vragen zijn gericht wordt voor ten hoogste twee minuten het woord verleend om te antwoorden. 9.. Tijdens de mondelinge vragen worden geen interrupties toegelaten. 10.. Tijdens de mondelinge vragen kan geen verlof worden gevraagd tot het houden van een interpellatie. Het indienen van een motie is wel toegestaan.

Rechtspraak bij dit artikel