**1..** Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
**2..** In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan:
De belanghebbende die aantoonbaar tenminste 20 uur per week vrijwilligerswerk verricht dat naar haar aard minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening;
De belanghebbende die aantoonbaar tenminste 20 uur per week mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is;
Belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
Belanghebbende die tenminste 20 uur per week regulier betaalde arbeid verricht.
**3..** Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:
De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;
De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;
De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;
Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.
Hoofdstuk 3
Artikel 4.
Het opdragen van een tegenprestatie
Onderdeel van Verordening tegenprestatie Participatiewet