**1..** De heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.
**2..** Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het belastingtijdvak naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt.
**3..** Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die installatie voorzien zijn van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
**4..** Indien het waterverbruik over het belastingtijdvak niet bekend is, wordt het aantal kubieke meters afvalwater door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik tussen 1 m3 – 50 m3.
**5..** Indien door de gebruiker wordt aangetoond, dat een hoeveelheid afvalwater niet op de in artikel 3, eerste lid, bedoelde wijze is afgevoerd, wordt de op grond van het eerste lid bepaalde hoeveelheid water verminderd met de op andere wijze afgevoerde hoeveelheid afvalwater.
**6..** Ten aanzien van percelen, die bij Brabant Water geregistreerd staan als ‘agrarische percelen’ en waarbij een hoeveelheid afvalwater niet op de in artikel 3, eerste lid, bedoelde wijze is afgevoerd, wordt het kubieke meters afvalwater door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik tussen 251 m3 – 500 m3.
Artikel 5
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van Rioolheffing 2015