Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Vorm en hoogte van de overgangsregeling

Onderdeel van Beleidsregel: bijzondere bijstand overgangsregeling voormalige alleenstaande ouders wet werk en bijstand

1.. De overgangsregeling wordt in de vorm van een afbouwregeling verstrekt. 2.. De hoogte van de overgangsregeling bedraagt, gerekend vanaf het moment dat de wijziging van de norm zich voordoet: gedurende de eerste 12 maanden, 100% van het verschil tussen de alleenstaande ouder norm en de alleenstaande norm; gedurende de 13e tot en met de 24e maand, 66,7% van het verschil tussen de alleenstaande ouder norm en de alleenstaande norm; gedurende de 25e tot en met de 36e maand, 33,3% van het verschil tussen de alleenstaande ouder norm en de alleenstaande norm; 3.. Bij de vaststelling van het verschil tussen de alleenstaande ouder norm en alleenstaande norm, als bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van de bedragen die gelden op het moment dat de wijziging van de norm zich voordoet. 4.. indien na de 36e maand als bedoeld in het tweede lid onder c, het kind de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, wordt de overgangsregeling voortgezet tot het moment dat er zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3 lid 2 en wordt de hoogte van de overgangsregeling berekend overeenkomstig het tweede lid onder c. 5.. Indien belanghebbende niet meer in aanmerking komt voor algemene bijstand vanwege de op grond van artikel 31 en 32 van de wet in aanmerking te nemen middelen en inkomen, wordt het verschil tussen de norm voor een alleenstaande ouder en het bedrag van de middelen en of inkomen volledig in mindering gebracht op het bedrag van de overgangsregeling, dat op grond van lid 2, 3 en 4 is vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel