**1..** Het college ziet af van het toepassen van een verlaging ex hoofdstuk
2 en 3 indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
gedraging door het college heeft plaatsgevonden.
**2..** Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
dringende redenen aanwezig acht.
**3..** Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
gesteld.
**4..** Het college legt in nadere beleidsregels Afstemmingen vast wat onder
ontbreken van verwijtbaarheid en dringende redenen moet worden
verstaan.
Hoofdstuk 4.
Artikel 11
Afzien van een verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening
Onderdeel van Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW