**1..** Het college ziet af van het weigeren of verlagen van de uitkering indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of
de gedraging meer dan één jaar vóór constatering door het college van die gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. De verlaging van de uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
**2..** Het college kan afzien van het weigeren of verlagen van de uitkering indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
**3..** Indien het college afziet van het weigeren of verlagen van de uitkering op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk 1.
Artikel 6.
Afzien van het opleggen van een weigering of verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ