De standplaatshouder, die door de wijze waarop hij zijn
marktartikelen ten verkoop aanbiedt of aanprijst, of door
overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
voorschriften, of anderszins door zijn gedragingen de orde op de
markt verstoort of in gevaar brengt, kan door burgemeester en
wethouders, zo dit naar hun oordeel noodzakelijk is en de zaak
geen uitstel lijdt, het recht op zijn standplaats voor de
verdere duur van de dag, waarop de markt wordt gehouden, worden
ontzegd.
Aan het in het eerste lid genoemde ontzeggingbevel dient
onmiddellijk gevolg te worden gegeven. Indien dit niet
geschiedt, wordt de hulp van de politie en, indien noodzakelijk,
die van de dienst gemeentewerken en -bedrijven ingeroepen.
Zolang de door de gemeente op grond van het tweede lid gemaakte
kosten van ontruiming van de standplaats door betrokkene niet
zijn vergoed, komt degene, die tot het maken der kosten
aanleiding heeft gegeven niet meer voor een standplaats op de
markt in aanmerking.
Door burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen van
het bepaalde in het derde lid worden afgeweken, mits betrokkene
bereid is de voorwaarden die daarbij worden gesteld te
aanvaarden en na te leven.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid kunnen burgemeester en
wethouders bovendien het recht op een standplaats op een of meer
volgende marktdagen gedurende ten hoogste drie weken
ontzeggen.