Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2.5.

Afstemmen van de maatregel op bijzondere individuele omstandigheden

Onderdeel van Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2015

1.. Voordat een maatregel wordt opgelegd, onderzoekt het college in alle gevallen of er naar zijn oordeel sprake is van dringende of zeer dringende redenen die, gelet op bijzondere individuele omstandigheden, noodzaken tot het opleggen van een minder zware maatregel, afgestemd op de omstandigheden van de belanghebbende. 2.. Indien naar het oordeel van het college sprake is van dringende reden, bedoeld in het eerste lid, legt het college, in afwijking van artikel 2.1. en 2.2. van deze verordening, afhankelijk van de bijzondere individuele omstandigheden van de belanghebbende, een maatregel op van 30% van de bijstandsnorm gedurende: Een maand, bij niet nakomen de verplichtingen bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet. Recidive Twee maanden, bij het wederom niet nakomen door belanghebbende van de verplichtingen bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet, binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarin een maatregel is opgelegd bedoeld in sub a. Drie maanden, bij het wederom niet nakomen door belanghebbende van de verplichtingen bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarin een maatregel is opgelegd bedoeld in sub b. In afwijking van het bepaalde in sub b en c kan de duur van de maatregel op individuele gronden verkort worden tot één maand. 3.. Indien naar het oordeel van het college sprake is van zeer dringende reden, bedoeld in het eerste lid, legt het college, in afwijking van artikel 2.1. en 2.2. van deze verordening, afhankelijk van de bijzondere individuele omstandigheden van de belanghebbende, een maatregel op van 0% van de bijstandsnorm gedurende: Een maand, bij niet nakomen de verplichtingen bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet. Recidive Twee maanden, bij het wederom niet nakomen door belanghebbende van de verplichtingen bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet, binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarin een maatregel is opgelegd als bedoeld in sub a. Drie maanden, bij het wederom niet nakomen door belanghebbende van de verplichtingen bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarin een maatregel is opgelegd als bedoeld in sub b.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel