Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 3.6.

Afstemmen van de maatregel op bijzondere individuele omstandigheden

Onderdeel van Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016

1.. Voordat een maatregel wordt opgelegd, onderzoekt het college in alle gevallen of er naar zijn oordeel sprake is van dringende of zeer dringende redenen die, gelet op bijzondere individuele omstandigheden, noodzaken tot het opleggen van een minder zware maatregel, afgestemd op de omstandigheden van de belanghebbende. 2.. Indien naar het oordeel van het college, alle omstandigheden van belanghebbende meegewogen, sprake is van dringende reden, bedoeld in het eerste lid, legt het college: in afwijking van artikel 3.1. eerste en derde lid van deze verordening een maatregel op van 0% van de bijstandsnorm gedurende één maand. in afwijking van artikel 3.1. tweede, vierde en vijfde lid van deze verordening een maatregel op van 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand. 3.. Indien naar het oordeel van het college, alle omstandigheden van belanghebbende meegewogen, sprake is van zeer dringende reden, bedoeld in het eerste lid, legt het college, in afwijking van artikel 3.1. eerste tot en met het vijfde lid van deze verordening een maatregel op van 0% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Eerste en volgende recidive 4.. Indien een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarin een maatregel is opgelegd bedoeld in het tweede of derde lid, wederom een daarmee verband houdende verplichting niet nakomt, verlaagt het college de uitkering met hetzelfde percentage gedurende twee maanden. 5.. In afwijking van het vierde lid kan de duur van de maatregel op individuele gronden verkort worden tot één maand.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel