**1..** Het college legt een maatregel op van 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het onvoldoende nakomen van:
De verplichting tot het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, als bedoeld in artikel 9 eerste lid sub a van de Participatiewet en artikel 37 eerste lid sub a van de IOAW en IOAZ.
De verplichting tot het meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.
De verplichting tot het naar vermogen door het college opgedragen tegenprestatie te verrichten, als bedoeld in artikel 9 eerste lid sub c van de Participatiewet, artikel 37 eerste lid sub f van de IOAW en IOAZ en artikel 3 punt 2 van de Re-integratieverordening.
**2..** Het college legt een maatregel op van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet nakomen van:
De verplichting tot het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, als bedoeld in artikel 9 eerste lid sub a van de Participatiewet en artikel 37 eerste lid sub a van de IOAW en IOAZ.
De verplichting tot het meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.
De verplichting tot het naar vermogen door het college opgedragen tegenprestatie verrichten, als bedoeld in artikel 9 eerste lid sub c van de Participatiewet, artikel 37 eerste lid sub f van de IOAW en IOAZ en artikel 3 punt 2 van de Re-integratieverordening.
De verplichting op grond van artikel 37 eerste lid sub c IOAW en IOAZ om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of te behouden.
De verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en, 37 eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en in de artikelen 36, eerste lid, en 37 eerste lid onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
**3..** Het college legt een maatregel op van 30 % van de bijstandsnorm van belanghebbende gedurende een maand bij het onvoldoende of niet nakomen van de verplichting tot het voldoen aan nader aan de uitkering verbonden verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet.
**4..** Het college legt een maatregel op van 100% van de bijstandsnorm van belanghebbende gedurende één maand, indien de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden, als bedoeld in artikel 9 lid 6 van de Participatiewet en artikel 20, tweede lid van de IOAW/IOAZ.
**5..** Onverlet het bepaalde in artikel 48 lid 2 van de wet legt het college een maatregel op van 100% van de bijstandsnorm van belanghebbende gedurende een maand, indien belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont voor de voorziening in het bestaan, voorafgaande aan of tijdens de duur van de bijstandsuitkering, voor zover bijstandsafhankelijkheid redelijkerwijs was te voorzien en belanghebbende niet kan aantonen dat hij voldoende inspanningen heeft gepleegd om een uitkering te voorkomen.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.1.
Hoogte en duur verlaging bij de schending van de niet-geüniformeerde verplichtingen
Onderdeel van Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016