Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Wettelijk kader

Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugd 2015

De Wmo en de Jeugdwet bevatten een aantal kaders met betrekking tot het verstrekken van een pgb. De kern hiervan is dat een cliënt, die in aanmerking komt voor maatwerkvoorziening, (danwel zijn ouders in geval van een jeugdige) ook kan kiezen voor pgb zodat hij de ondersteuning van derden kan betrekken. Wmo Cliënt kan in aanmerking komen voor een pgb in de Wmo als: een cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; een cliënt zich op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. Het gaat er dan om dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt. Het is aan de gemeente om invulling te geven aan de eerste en derde voorwaarde. Deze worden verderop uitgewerkt. Verder is wettelijk bepaald dat er een overgangsperiodeis van maximaal 5 jaar voor beschermd wonen voor cliënten die per 2015 overkomen naar de gemeente. Wat betreft de geldigheidsduur van het pgb geldt een overgangsperiode van maximaal 1 jaar. Voor alle doelgroepen waarvoor het overgangsrecht van toepassing is, geldt dat in goed overleg en met instemming van de cliënt altijd eerder tot een nieuw arrangement kan worden overgegaan. Het pgb voor beschermd wonen is uitgewerkt in de Beleidsregel Beschermd Wonen 2015; een op te leggen eigen bijdrage achteraf wordt geïnd door het CAK. Op deze wijze is de anticumulatie geregeld, en betaalt een cliënt voor alle individuele (maatwerk) voorzieningen samen nooit meer dan haalbaar is op grond van zijn inkomen. De eigen bijdrage is uitgewerkt in de nadere regels. Wat betreft beschermd wonen betaalt cliënt een eigen bijdrage voor beschermd wonen. Voor andere ondersteuning betaalt hij geen aanvullende eigen bijdrage. Jeugdwet Cliënt kan in aanmerking komen voor een pgb in de Jeugdwet als: een cliënt (danwel zijn ouders) naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; een cliënt (danwel zijn ouders) zich op het standpunt stelt dat de voorziening die een gecontracteerde aanbieder levert niet passend is; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. Het gaat er dan om dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt. Ook hier geldt dat het aan de gemeente is om invulling te geven aan de eerste en derde voorwaarde. Deze worden verder uitgewerkt. Verder is in de Jeugdwet opgenomen dat geen pgb verstrekt hoeft te worden als het gaat om een minderjarige die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jeugdige die is opgenomen in een gesloten accommodatie. Pgb Wmo en Jeugd: trekkingsrechtmodel en rol voor de SVB Verder is relevant dat landelijk voor beide wetten per 2015 het trekkingsrecht wordt geïntroduceerd. Hierdoor krijgen pgb-houders geen geld meer op de rekening. Voor de uitbetaling van de ondersteuning en enkele bijkomende administratieve zaken zijn gemeenten wettelijk verplicht de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in te schakelen. De SVB zorgt voor de betaling aan de ondersteuner. De SVB zal ook de (arbeids)overeenkomsten die pgb-houders afsluiten toetsen oparbeidsrechtelijke aspecten.

Rechtspraak bij dit artikel