Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 12.

Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep

Onderdeel van Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzaalwerk gemeente Waalwijk

1.. Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. 2.. Indien de houder gekozen heeft voor ambitieniveau A; ‘Spelen en ontmoeten’, zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders aanwezig en er is een beroepskracht voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal. 3.. Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau B: ‘Spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. Artikel 13. Overeenkomst tussen houder en ouder Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder van het op te vangen kind. Artikel 14. Informatieplicht aan de ouders De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: De plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; Het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; Het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; De wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal. Artikel 15. Verklaring omtrent het gedrag Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens. Deze verklaring wordt aan de houder overlegd voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. De houder houdt de verklaring ter beschikking van de toezichthouder. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. HOOFDSTUK 4. HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel 16. Aanwijzing van toezichthouders Het college wijst toezichthouders aan. Artikel 17. Onderzoek door de toezichthouder De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder om de twee jaar of het gebruik en beheer van het gebouw door elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel 18. Het inspectierapport De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. Artikel 19. Aanwijzing en bevel Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft. In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn. Artikel 20. Strafbepaling Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordeningen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. HOOFDSTUK 5. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 21. Overgangsbepaling Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening over een vergunning op grond van de “Verordening kinderopvang gemeente Waalwijk 1999” beschikken. Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register. Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over. Voor artikel 12, lid 2, geldt voor 2008 een overgangsregeling. In dit overgangsjaar hoeft nog niet voldaan te worden aan de eis die in dit artikel beschreven is. Artikel 22. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2008. Op dat moment vervalt de ‘Verordening Peuterspeelzaalwerk gemeente Waalwijk 2005’. Artikel 23. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzaalwerk gemeente Waalwijk”. Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 20 december 2007 DE RAAD VAN WAALWIJK de griffier, de voorzitter, G.H. Kocken drs. A.M.P. Kleijngeld Algemene toelichting Gemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet kinderopvang (artikel 1, tweede lid, onderdeel b). Dit betekent dat de grondslag voor deze verordening de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenten vormt die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Dit is ook in de aanhef van de modelverordening aangegeven. De modelverordening sluit zoveel mogelijk aan bij de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de Wet kinderopvang (Wk) stelt ten aanzien van kinderopvang. Voor dit laatste zijn twee redenen: allereerst is het peuterspeelzaalwerk ook een vorm van kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Het ligt dan voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde kwaliteitseisen te stellen, uiteraard voorzover die eisen aansluiten bij het specifieke doel van het peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede reden: het toezicht op de instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen zal door dezelfde toezichthouders worden gedaan. Het uitoefenen van toezicht wordt vergemakkelijkt als de toezichthouders zoveel mogelijk met dezelfde regels te maken hebben. Evenals in de Wet kinderopvang is in de modelverordening gekozen voor algemene kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente gelden, gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel