Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 11.

De hoogte en duur van de maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

1.. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in artikel 10 vastgesteld volgens onderstaande matrix. Matrix 2.. In de situatie dat door een andere organisatie dan de gemeente het periodieke inkomen van belanghebbende voor een bepaalde periode wordt verlaagd omdat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaar gedrag zoals omschreven in de categorie-indeling in artikel 10, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de zwaarte van de door de gemeente op te leggen bijstandsmaatregel afgestemd op de besluitvorming van deze derde(n). Uitzondering op deze regel wordt alleen dan toegepast indien belanghebbende door de maatregeloplegging van deze derde(n) volledig zonder middelen van bestaan is geraakt waardoor deze niet langer in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. 3.. Indien binnen één jaar na de voorgaande verwijtbare gedraging sprake is van herhaling van verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verzwaring van de maatregel. Onder voorgaande verwijtbare gedragingen wordt verstaan de voorgaande gedraging die aanleiding is geweest tot het treffen van een maatregel. Dit geldt evenzo indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. 4.. Bij het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid zoals omschreven in artikel 10, onderdeel d en e, wordt de hoogte van de maatregel in afwijking van het bepaalde in lid 1 categorieën 4 en 5, vastgesteld naar de mate waarin de belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven of heeft verloren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel