**1..** Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht op bijstand heeft;
**2..** Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in het eerste lid vastgesteld volgens onderstaande matrix, tenzij de gedraging betrekking heeft op onverantwoorde besteding/ intering van vermogen.
bij een periode van 1 tot 6 maanden
100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand
bij een periode van 6 maanden of langer
100 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden
**3..** In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging wegens onverantwoorde besteding/ intering van vermogen vastgesteld volgens onderstaande matrix.
Onverantwoord besteed/ingeteerd, waardoor belanghebbende 1 tot 6 maanden eerder bereop op bijstand doet.
100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand
Onverantwoord besteed/ingeteerd, waardoor belanghebbende 6 tot 9 maanden eerder beroep op bijstand doet
100 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden
Onverantwoord besteed/ingeteerd, waardoor belanghebbende 9 maanden (of langere periode) eerder beroep op bijstand doet
100 % van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden
Hoofdstuk 4.
Artikel 13.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand