Naar hoofdinhoud
1.. Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten wordt in de vorm van een gift verstrekt. 2.. In afwijking van het gestelde in het eerste lid wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een lening verstrekt indien: er sprake is van tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid en bijzondere bijstandsverlening onvermijdelijk is; het een adresloze betreft als bedoeld in artikel 6 lid 2 onder b; het een ex gedetineerde betreft als bedoeld in artikel 7 lid 2 onder c; er sprake is van een situatie waarin het naar het oordeel van het college niet wenselijk is om de bijzondere bijstand in de vorm van een gift te verstrekken. 3.. Indien de bijzondere bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt, bedraagt de maandelijkse aflossing 6% van de norm. 4.. Het college kan de maandelijkse aflossing als bedoeld in het derde lid afwijkend vaststellen als de situatie van belanghebbende daartoe aanleiding geeft. 5.. De aflossingsverplichting op de lening gaat in op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald. 6.. Indien toepassing wordt gegeven aan het gestelde in het tweede lid onder b en of c gaat de aflossing in op de 1e van de 12e maand volgend op de maand waarin de bijzondere bijstand is uitbetaald. 7.. Indien de als lening verstrekte bijzondere bijstand na een periode van 36 maanden gerekend vanaf het moment dat de aflossingsverplichting is ingegaan, nog niet volledig is afgelost, wordt het restant van de lening omgezet in bijzondere bijstand in de vorm van een gift als belanghebbende volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan. 8.. Het college kan als de situatie van belanghebbende hiertoe aanleiding geeft afwijken van het gestelde in het zevende lid. 9.. Het college kan de in de vorm van een lening verstrekte bijzondere bijstand aan een adresloze als bedoeld in artikel 7 lid 2 onder b of een ex gedetineerde als bedoeld in artikel 7 lid 2 onder c omzetten in bijzondere bijstand in de vorm van een gift als blijkt dat: belanghebbende na 12 maanden gerekend vanaf de maand dat de bijzondere bijstand is uitbetaald nog zelfstandig woont en belanghebbende naar het oordeel van het college volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan en voldoende meegewerkt heeft of meewerkt aan een door het college noodzakelijk geacht traject.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel