Het college gebruikt de hieronder omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen.
Het college maakt gebruik van de loonwaardemethodiek die met de samenwerkende gemeenten in regio Arnhem is afgesproken. Binnen het regionale Werkbedrijf worden afspraken gemaakt over de minimumeisen waaraan een methode ter bepaling van de loonwaarde moet voldoen. Als de afspraken over minimumeisen binnen het Werkbedrijf niet of niet tijdig voor de inwerkingtreding van de Participatiewet tot stand zijn gekomen, worden de minimumeisen gevolgd die de regering in lagere regelgeving heeft vastgelegd.
De te hanteren loonwaardemethodiek voldoet aan de volgende wettelijke eisen:
de loonwaarde hangt niet af van degene die de loonwaarde bepaalt;
het is transparant hoe de loonwaarde tot stand is gekomen;
de methode is inzichtelijk beschreven;
de methode is betrouwbaar;
de methode bevat richtlijnen om te komen tot de loonwaarde van een werknemer op een werkplek, die de prestatie van de werknemer weergeeft.
De werkwijze van deze methodiek bestaat uit de volgende kenmerken:
de loonwaarde wordt gemeten op de werkplek tijdens de proefplaatsing;
de loonwaardemeting wordt uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige;
de loonwaardemeting analyseert de mogelijkheden van de betrokkene en de vraag van de werkgever op basis van competenties, vaardigheden en functiespecifieke activiteiten;
zowel de werkgever als de werknemer worden betrokken bij de loonwaardemeting;
de loonwaardemeting geeft zowel inzicht in de mate van productiviteit van de betrokkene als de begeleidingsbehoefte;
de uitkomst van de loonwaardemeting geeft een advies over de hoogte van het percentage van de loonsom dat voor subsidie in aanmerking komt.