Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar voor constatering van
gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of
belanghebbende inmiddels geen bijstand of uitkering meer
ontvangt, tenzij de belanghebbende binnen een periode
van 6 maanden na de datum van de beëindigingsbeschikking
opnieuw bijstand of uitkering gaat ontvangen. In dat
geval wordt een besluit genomen over het alsnog
toepassen dan wel afzien van een maatregel op dat
moment; of
het college dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
grond van het bepaalde in het eerste lid onder d, wordt daarvan
aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk 3
Artikel 6
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van 2e wijziging verordening Participatiewet 2015