Als een bewoner van een Wlz-instelling wil deelnemen aan activiteiten buiten de instelling, kan hij een beroep doen op de Wmo voor het noodzakelijke vervoer.
Géén voorziening wordt verstrekt voor het vervoer van en naar door de instelling georganiseerde (recreatieve) activiteiten en/of aangeboden voorzieningen. Bij verblijf in een Wlz-instelling komt een aantal voorzieningen die normaal voor eigen rekening komen, ten laste van de instelling. Zo wordt tot het verblijf in een Wlz-instelling ook enige mate van recreatie gerekend. Op welke wijze dit wordt ingevuld, hangt af van de zelfredzaamheid van de bewoner en de mate waarin deze kan deelnemen aan recreatieve en sociaal-culturele activiteiten.
Gemeenten zijn op grond van de Wmo verantwoordelijk voor het verstrekken van vervoersvoorzieningen gericht op zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het vervoer van een bewoner van een AWBZ-instelling naar en van door de instelling aangeboden activiteiten en/of voorzieningen rekenen we hier niet toe. Hiermee sluiten we aan bij de situatie zoals deze onder de Wet voorzieningen gehandicapten, was vastgelegd in de ‘Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen’. In deze regeling was bepaald dat de AWBZ-instelling verantwoordelijk was voor het vervoer naar en van door de instelling georganiseerde recreatieve activiteiten en de gemeente voor het vervoer voor het zelfstandig onderhouden van sociale contacten. De situatie dat tot het verblijf in een WLZ-instelling ook enige mate van recreatie - en in het verlengde daarvan ook het eventuele vervoer - behoort, is sindsdien niet gewijzigd.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2.8
Vervoersvoorziening voor bewoners Wlz-instelling.
Onderdeel van Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Heemstede 2015