Het college is op grond van artikel 35 PW volledig vrij in het bepalen van welk deel van het inkomen en welk deel van het vermogen voor de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Er is voor gekozen uit te gaan van het inkomens- en vermogensbegrip van de PW. Het Rijk verbindt geen norm aan het recht op bijzondere bijstand. Het college besluit een inkomen van ten hoogste 110% van de toepasselijk bijstandsnorm als draagkrachtloos inkomen aan te merken.
Het vermogen in de eigen woning wordt in beginsel niet in aanmerking genomen, tenzij van belanghebbende in redelijkheid verlangd kan worden dat hij de woning voor die kosten (verder) bezwaart. Dit zal zich met name kunnen voordoen bij een verzoek om bijzondere bijstand voor aan de woning gerelateerde kosten.
Bij de vaststelling van het inkomen wordt rekening gehouden met voor belanghebbende voor eigen rekening komende buitengewone lasten. Hierbij moet worden gedacht aan:
Het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag en de huurtoeslag die zou zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau (immers, hoe hoger het inkomen hoe minder huurtoeslag men ontvangt). Bij een aanvraag om woonkostentoeslag blijft dit zogenaamde huurtoeslagnadeel uiteraard buiten beschouwing als buitengewone uitgave.
De woonkosten voor zover deze meer bedragen dan maximale huur waarbij nog recht op huurtoeslag bestaat. Bij een aanvraag om woonkostentoeslag blijven deze kosten uiteraard buiten beschouwing als buitengewone uitgaven.
De kosten van alimentatieverplichtingen. Dit lijkt in tegenspraak met artikel 14 PW, dat bepaalt dat alimentatieverplichtingen niet tot de noodzakelijke kosten worden gerekend. Uit de toelichting op dit artikel blijkt evenwel dat hier wordt bedoeld dat alimentatieverplichtingen niet tot de noodzakelijke kosten worden gerekend voor belanghebbenden die algemene bijstand ontvangen.
Op grond van de alimentatienormen (TREMA-normen) wordt het inkomen tot de voor de onderhoudsplichtige geldende bijstandnorm tot het draagkrachtloos inkomen gerekend. Dit betekent, dat iemand die algemene bijstand ontvangt, vanwege het ontbreken van draagkracht geen alimentatie verschuldigd is. Draagt belanghebbende toch bij in de kosten van het levensonderhoud van een ander, dan gebeurt dat op vrijwillige basis.
Een onderhoudsplichtige die een inkomen heeft dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm, is daarentegen verplicht bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de ex-echtgenoot en/of de kinderen voor zover zijn draagkracht toereikend is. Hij voldoet daarmee aan zijn wettelijke onderhoudsplicht. In dat verband wordt de alimentatieverplichting aangemerkt als buitengewone last, waarmee bij de vaststelling van de draagkracht rekening kan worden gehouden.
De volgende kosten worden in ieder geval niet aangemerkt als buitengewone lasten:
Kosten die kunnen worden voldaan uit de algemene bijstand of een daarmee vergelijkbaar inkomen (bijvoorbeeld de premie voor een aanvullende zorgverzekering).
Belastingaanslagen.
Rente en aflossingen in verband met leningen.
Hoofdstuk
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet en Wet Schuldhulpverlening