**1..** Wanneer jegens een belanghebbende naar het oordeel van het college een redelijk vermoeden bestaat dat hij of zij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, welke noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en de belanghebbende niet meewerkt aan dan wel niet verschijnt bij de taaltoets, dan merkt het college deze gedragingen aan als een vorm van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid Participatiewet.
**2..** Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Participatiewet niet nakomt in verband met het verschijnen voor de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid Participatiewet, wordt een verlaging toegepast.
De verlaging wordt vastgesteld op:
1. 20% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden, bij het niet verschijnen voor de taaltoets;
2. 40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden, mocht belanghebbende daarna nog niet meewerken aan de taaltoets;
3. 100% van de bijstandsnorm voor onbepaalde tijd, bij het na één jaar niet of onvoldoende meewerken aan de taaltoets.
4. Indien belanghebbende weer wel gaat voldoen aan de door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Participatiewet in verband met het verschijnen voor de taaltoets, kan het college de verlaging opheffen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 14a
Overige gedragingen die leiden tot een verlaging in verband met de Wet taaleis
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Vught 2018